Kunstmatige intelligentie is in korte tijd onderdeel geworden van het dagelijks leven. Toch betekent dat niet dat mensen ook enthousiast zijn over de technologie. Integendeel: uit internationaal onderzoek blijkt dat AI aanzienlijk minder populair is dan andere digitale technologieën. Mensen maken zich zorgen over veiligheid, cybercriminaliteit en het verlies van menselijke controle. Tegelijkertijd groeit de roep om minder afhankelijk te worden van Amerikaanse en Chinese AI-bedrijven. Ook in Nederland.
Dat blijkt uit het onderzoeksrapport “FGS Global Radar: AI Pulse”, waarvoor communicatieadviesbureau FGS Global ruim 7.000 mensen ondervroeg in zeven landen, waaronder Nederland, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Canada en Japan. Daarnaast spraken de onderzoekers met 39 deskundigen uit de politiek, het bedrijfsleven en de wetenschap.
De uitkomsten laten een opvallende tegenstelling zien. Hoewel AI steeds vaker wordt gebruikt, blijft het vertrouwen in de technologie beperkt. Slechts 18 procent meer mensen is positief dan negatief over AI. Bij smartphones bedraagt dat verschil 74 procent, bij zoekmachines zelfs 78 procent. Ook sociale media, die regelmatig kritiek krijgen vanwege privacyproblemen en desinformatie, scoren met 35 procent aanzienlijk beter. Volgens de onderzoekers heeft de AI-sector daarmee een serieus vertrouwensprobleem.
Veel gebruik, weinig vertrouwen
De terughoudendheid betekent niet dat mensen AI links laten liggen. Maar liefst 71 procent van de ondervraagden heeft in de afgelopen zes maanden minstens één AI-toepassing gebruikt. Van deze gebruikers zet 92 procent AI in om informatie te zoeken of vragen te beantwoorden. Daarnaast gebruikt 61 procent AI op het werk.
Opmerkelijk is dat AI ook steeds vaker wordt gebruikt voor persoonlijke onderwerpen. Bijna de helft van de AI-gebruikers zegt de technologie weleens in te schakelen voor emotionele steun of relatieadvies. Onder jongere gebruikers ligt dat aandeel zelfs rond twee derde.
Ook bij financiële beslissingen speelt AI inmiddels een rol. Een kwart van alle ondervraagden gebruikt AI voor financieel advies. Daarmee wordt AI vaker geraadpleegd dan een professionele financieel adviseur (16 procent) of een accountant of belastingadviseur (10 procent).
De onderzoekers constateren dat AI daarmee niet alleen verandert hoe mensen werken en informatie verzamelen, maar ook waar zij advies zoeken en wie zij daarbij vertrouwen. Tegelijkertijd bestaan er grote verschillen tussen bevolkingsgroepen. Jongeren, mensen met meer digitale kennis en intensieve AI-gebruikers zijn aanzienlijk positiever dan ouderen en mensen die weinig ervaring met de technologie hebben.
Veiligheid belangrijker dan winnen van China
Een tweede opvallende conclusie is dat burgers weinig voelen voor de internationale wedloop rond AI. Overheden en technologiebedrijven benadrukken regelmatig hoe belangrijk het is om voorop te lopen in de ontwikkeling van AI. Vooral de concurrentiestrijd tussen de Verenigde Staten en China krijgt daarbij veel aandacht.
Maar burgers blijken andere prioriteiten te hebben. In de Verenigde Staten vindt 62 procent dat het land beter wat gas kan terugnemen en zich moet richten op veilige en verantwoorde AI. Slechts 38 procent vindt dat Amerika koste wat kost de leiding moet behouden, ook als dat extra risico’s met zich meebrengt.
Buiten de Verenigde Staten is het beeld vergelijkbaar. Daar vindt 64 procent dat het belangrijker is om AI goed en veilig te ontwikkelen dan om de technologische achterstand op Amerika en China in te halen. Bovendien denkt een meerderheid dat de concurrentiestrijd tussen beide grootmachten uiteindelijk nadelig zal uitpakken voor de rest van de wereld, ongeacht wie wint.
De boodschap is duidelijk: burgers zien het belang van technologische vooruitgang, maar willen niet dat veiligheid daaraan ondergeschikt wordt gemaakt.
Europese onafhankelijkheid blijft belangrijk
Dat betekent overigens niet dat mensen onverschillig staan tegenover de herkomst van AI-technologie. Integendeel. Volgens het onderzoek vindt 76 procent het belangrijk dat landen zelf zeggenschap hebben over de AI-technologie waarvan zij afhankelijk zijn. In Canada, Japan en Europa vindt 62 procent dat de afhankelijkheid van Amerikaanse en Chinese AI moet worden verminderd. Voor Europa is dat een relevant signaal. De discussie over digitale soevereiniteit gaat immers steeds vaker over de vraag of Europese bedrijven en overheden voldoende controle houden over hun digitale infrastructuur, gegevens en technologie.
Tegelijkertijd is er weinig optimisme over de mogelijkheid om de Amerikaanse en Chinese voorsprong daadwerkelijk in te halen. Van alle onderzochte regio’s zijn Europeanen hierover het meest pessimistisch. In de drie onderzochte EU-landen — Nederland, Duitsland en Frankrijk — zijn duidelijk meer mensen het eens dan oneens met de stelling dat Amerika en China inmiddels zo ver vooroplopen dat echte technologische onafhankelijkheid voor andere landen nauwelijks haalbaar is.
Toch bestaat er steun voor maatregelen die lokale technologiebedrijven helpen. Ongeveer zes op de tien ondervraagden geven de voorkeur aan beleid waarbij overheden binnenlandse technologie inkopen, zelfs wanneer dat duurder is of minder goed werkt. Daarbij plaatsen de onderzoekers wel een kanttekening. De voorkeur voor eigen technologie betekent niet automatisch dat buitenlandse aanbieders worden afgewezen. Mensen staan ook open voor buitenlandse bedrijven die lokaal investeren, banen creëren en belasting betalen.
Burgers willen strengere regels
Het onderzoek laat eveneens zien dat burgers weinig vertrouwen hebben in de bereidheid van AI-bedrijven om zichzelf te controleren. Slechts 7 procent vindt dat bedrijven zelf mogen bepalen hoe zij omgaan met cyberveiligheidsrisico’s van hun AI-systemen.
Over de manier waarop overheden moeten ingrijpen, bestaat minder overeenstemming. De grootste groep, 27 procent, wil dat nieuwe AI-modellen verplicht worden getest en pas na toestemming van de overheid beschikbaar komen. Nog eens 23 procent is voor een vergunningenstelsel. Een kleinere groep, 17 procent, geeft de voorkeur aan vrijwillige tests en veiligheidsafspraken. Een tijdelijke stop op de ontwikkeling van nieuwe AI-systemen krijgt steun van 13 procent.
De belangrijkste zorgen gaan over cybercriminaliteit en het risico dat mensen de controle over AI-systemen verliezen. Ook onder beleidsmakers neemt de bezorgdheid hierover toe. In gesprekken met de onderzoekers wijzen verschillende deskundigen op de noodzaak om gevaarlijke AI-systemen onmiddellijk te kunnen uitschakelen wanneer dat nodig blijkt.
Opvallend is dat sommige Europese deskundigen niet zozeer pleiten voor nieuwe wetgeving, maar vooral voor een betere uitvoering van bestaande regels. Volgens hen is de vraag niet alleen welke regels nodig zijn, maar ook of toezichthouders over voldoende kennis en middelen beschikken om die regels daadwerkelijk te handhaven.
Nederlanders twijfelen aan verbod voor kinderen
Een apart onderdeel van het onderzoek gaat over het gebruik van AI door kinderen. In alle onderzochte landen bestaat brede steun voor beperkingen voor kinderen jonger dan zestien jaar. Daarbij gaat het om het gebruik van AI-chatbots en beeldgeneratoren zonder gecontroleerde toestemming van ouders. In Nederland vindt 65 procent dat bescherming van kinderen tegen de risico’s van AI belangrijker is dan de mogelijkheid om zo vroeg mogelijk ervaring met de technologie op te doen. Daarmee is de Nederlandse steun voor beperkingen iets lager dan in bijvoorbeeld Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, waar 75 procent deze opvatting deelt.
Nederlanders zijn bovendien bijzonder sceptisch over de uitvoerbaarheid. Maar liefst 52 procent denkt dat een verbod voor jongeren onder de zestien in de praktijk vrijwel onmogelijk te handhaven is. Kinderen zouden bijvoorbeeld gebruik kunnen maken van accounts van oudere gebruikers of technische mogelijkheden om leeftijdscontroles te omzeilen.
Het onderzoek laat daarmee zien dat steun voor strengere regels niet automatisch betekent dat burgers verwachten dat deze regels ook effectief zullen zijn.
Mensen willen vooral weten wat AI hun oplevert
Een andere belangrijke conclusie is dat de mening van mensen over AI nog sterk kan veranderen. De onderzoekers verdeelden de deelnemers in twee groepen. De ene groep kreeg mogelijke voordelen van AI voorgelegd, terwijl de andere groep werd gewezen op de risico’s. Van de deelnemers die de voordelen bekeken, werd 37 procent vervolgens positiever over AI. Vooral in Duitsland en de Verenigde Staten was die verschuiving groot.
De onderzoekers concluderen dat veel mensen nog geen vaststaande mening over AI hebben. Daarbij blijkt dat grote economische beloften weinig indruk maken. Slechts 12 procent noemt economische groei als een van de drie belangrijkste voordelen van AI.
Veel belangrijker vinden mensen de praktische toepassingen. Denk aan het sneller uitvoeren van dagelijkse taken, eenvoudiger informatie vinden of gemakkelijker toegang krijgen tot advies. Ook het toegankelijk maken van kennis en het oplossen van ingewikkelde problemen worden als voordelen genoemd.
Dat is een belangrijk verschil met de manier waarop AI vaak wordt besproken door technologiebedrijven en overheden. Daar ligt de nadruk regelmatig op miljardeninvesteringen, internationale concurrentie en economische groei. Burgers blijken vooral geïnteresseerd in wat de technologie concreet voor hen kan betekenen.
Ook datacenters zijn voor veel mensen onbekend terrein
Het rapport besteedt daarnaast aandacht aan datacenters, die een steeds belangrijkere rol spelen bij de ontwikkeling en het gebruik van AI. Opvallend genoeg weet bijna de helft van de ondervraagden niet goed wat een datacenter is. In Nederland geldt dat voor 44 procent van de respondenten. In Duitsland ligt dit percentage op 59 procent en in Japan zelfs op 63 procent.
Dat gebrek aan kennis is volgens de onderzoekers relevant voor de maatschappelijke discussie over nieuwe datacenters. De bouw van datacenters leidt op verschillende plaatsen tot zorgen over energieverbruik, ruimtegebruik en de gevolgen voor de omgeving. Tegelijkertijd is voor veel mensen niet duidelijk welke rol deze gebouwen spelen bij digitale diensten die zij dagelijks gebruiken.
Volgens verschillende geïnterviewde deskundigen moeten datacenterbedrijven daarom eerder en beter met omwonenden in gesprek gaan. Daarbij gaat het niet alleen om uitleg over de technologie, maar vooral om concrete afspraken over de gevolgen en mogelijke voordelen voor de omgeving.
Vertrouwen moet worden verdiend
De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat het publieke debat over AI nog lang niet is beslist. De technologie wordt inmiddels op grote schaal gebruikt, maar het vertrouwen groeit niet automatisch mee. Mensen zien praktische voordelen, terwijl zij tegelijkertijd bezorgd zijn over veiligheid, afhankelijkheid van buitenlandse technologiebedrijven en de gevolgen voor de samenleving.
Voor AI-bedrijven betekent dit volgens de onderzoekers dat zij hun beloften beter moeten onderbouwen. Niet alleen met verhalen over wat AI in de toekomst mogelijk maakt, maar ook met aantoonbare veiligheidsmaatregelen, onafhankelijke controles en duidelijke afspraken over verantwoordelijkheid.
Het onderzoek maakt bovendien duidelijk dat meer gebruik niet vanzelf leidt tot meer maatschappelijk draagvlak. AI kan voor veel mensen een nuttig hulpmiddel zijn, zonder dat zij daarmee ook vertrouwen hebben in de bedrijven die de technologie ontwikkelen. Dat onderscheid wordt de komende jaren waarschijnlijk steeds belangrijker, zeker nu overheden beslissingen moeten nemen over AI-regels, investeringen en digitale onafhankelijkheid.
Bron: FGS Global, FGS Global Radar: AI Pulse, oktober 2026. Het onderzoek is gebaseerd op enquêtes onder 7.052 mensen in zeven landen, uitgevoerd van 18 tot en met 25 augustus 2026, en 39 interviews met deskundigen. Tenzij anders vermeld, zijn de genoemde percentages gemiddelden van de onderzochte landen.






0 Reacties