Open source speelt een steeds belangrijkere rol in de discussie over de digitale soevereiniteit van Europa. Daarbij gaat het inmiddels om veel meer dan de vraag of bedrijven en overheden software gebruiken waarvan de broncode beschikbaar is. Het draait vooral om controle: over technologie, infrastructuur, data en uiteindelijk ook over de economische en politieke speelruimte van Europa. Die boodschap stond centraal in een presentatie van Paula Grzegorzewska van Linux Foundation Europe tijdens de Nextcloud Community Conference in Berlijn.
Grzegorzewska houdt zich bij Linux Foundation Europe bezig met de relatie tussen de open-sourcegemeenschap, bedrijven en Europese beleidsmakers. Vanuit Brussel ziet zij hoe sterk de discussie over digitale soevereiniteit de afgelopen jaren is veranderd. Het onderwerp is volgens haar verschoven van een relatief specialistische discussie naar een thema dat hoog op de agenda staat van zowel overheden als bedrijven.
Een belangrijke reden daarvoor is uiteraard dat steeds duidelijker wordt hoe afhankelijk Europa voor zijn digitale infrastructuur is van een relatief klein aantal grote technologiebedrijven. Dat speelt bij cloudinfrastructuur, softwareplatforms, chips en inmiddels ook bij kunstmatige intelligentie.
Open source kan volgens Grzegorzewska helpen om die afhankelijkheid te verkleinen. Niet doordat Europa zich technologisch zou moeten afsluiten van de rest van de wereld, maar doordat organisaties meer grip krijgen op de technologie waarvan zij afhankelijk zijn.
Een formulering die tijdens haar presentatie meerdere malen terugkwam, was in dat opzicht veelzeggend: “mastery, not isolation”. Digitale soevereiniteit betekent niet dat iedere technologie in Europa ontwikkeld moet worden. Het betekent vooral dat Europa voldoende kennis, invloed en mogelijkheden moet behouden om zelf keuzes te kunnen maken.
Digitale soevereiniteit wordt belangrijker
Dat digitale soevereiniteit inmiddels breed leeft, blijkt volgens Linux Foundation Europe ook uit eigen onderzoek. Van de ondervraagde Europese organisaties zegt 94 procent dat digitale soevereiniteit belangrijk is voor de technologiestrategie. Voor 61 procent is het zelfs zeer belangrijk. Security en privacy zijn daarbij de meest genoemde redenen. Zo noemt 71 procent van de Europese organisaties deze onderwerpen als belangrijke drijfveer.
Maar Grzegorzewska wees tijdens haar presentatie ook op een aantal punten waarop Europa duidelijk afwijkt van andere delen van de wereld. Zo noemt 55 procent van de Europese respondenten vendor lock-in en de financiële risico’s daarvan als reden om meer aandacht aan digitale soevereiniteit te besteden. Buiten Europa ligt dat percentage op 48 procent. Ook nationale en regionale belangen spelen in Europa een grotere rol. Die worden door 47 procent van de Europese organisaties genoemd, tegenover 36 procent in andere regio’s.
Dat verschil is belangrijk. Het laat zien dat de Europese discussie niet alleen over technische veiligheid gaat. Steeds vaker wordt technologie ook gezien als onderdeel van economische weerbaarheid. Wie volledig afhankelijk is van een leverancier voor essentiële software, cloudcapaciteit of data-infrastructuur, loopt immers niet alleen een technisch risico. Die afhankelijkheid kan ook gevolgen hebben voor prijzen, beschikbaarheid, innovatie en de mogelijkheid om zelfstandig technologische keuzes te maken.
Open source geeft meer keuzevrijheid
Precies daar ligt volgens Grzegorzewska een belangrijke rol voor open source. Wanneer de broncode beschikbaar is en meerdere partijen rond een technologie kunnen bouwen, onderhouden en ondersteunen, wordt het lastiger voor één leverancier om een complete technologieketen te controleren. Open standaarden en interoperabiliteit maken het daarnaast eenvoudiger om toepassingen en infrastructuren met elkaar te combineren.
Dat betekent niet automatisch dat organisaties eenvoudig van leverancier kunnen wisselen. Ook rond open-sourceproducten kunnen commerciële ecosystemen ontstaan waaruit overstappen lastig is. Maar de uitgangspositie is anders: kennis en technologie zijn niet per definitie opgesloten binnen één bedrijf.
Uit cijfers die Grzegorzewska in Berlijn liet zien, blijkt dat organisaties die voordelen vooral ervaren rond infrastructuur en applicaties. Zo zegt 63 procent van de Europese respondenten dat open source zeer succesvol is geweest bij het verkrijgen van meer controle over cloud en infrastructuur. Voor applicaties en portability ligt dat percentage op 59 procent. Bij data, lokalisatie en portability gaat het om 57 procent. Ook interoperabiliteit scoort relatief hoog, met 56 procent. Meer onafhankelijkheid van leveranciers wordt door 54 procent genoemd.
Daarmee krijgt open source een andere positie dan enkele jaren geleden. Het wordt niet langer alleen ingezet omdat het technisch interessant of goedkoper kan zijn. Het wordt steeds vaker onderdeel van strategische architectuurkeuzes.
Bij AI staat Europa nog aan het begin
Bij kunstmatige intelligentie is dat beeld minder uitgesproken. Volgens de cijfers die Linux Foundation Europe presenteerde, noemt 34 procent open source zeer succesvol bij het ontwikkelen van eigen AI-systemen. Voor lokaal draaien van AI-modellen ligt dat op 33 procent. Een veel grotere groep spreekt hier van gedeeltelijk succes.
Dat verschil met bijvoorbeeld cloudinfrastructuur is niet verrassend. Het open-source ecosysteem rond cloud, Linux en containertechnologie is inmiddels volwassen. Bij generatieve AI verandert de technologie juist bijzonder snel.
Bovendien bestaat AI niet alleen uit software. Organisaties zijn ook afhankelijk van modellen, trainingsdata, rekenkracht en gespecialiseerde chips. Digitale soevereiniteit rond AI vraagt daardoor om controle over een veel bredere technologieketen.
Juist daarom is het volgens Grzegorzewska belangrijk dat Europa niet alleen kijkt naar waar technologie vandaan komt, maar vooral naar de vraag of organisaties er daadwerkelijk controle over kunnen uitoefenen.
Economische waarde is veel groter dan licentiekosten
Een tweede belangrijk punt in haar presentatie was de economische betekenis van open source. Daarbij verwees ze onder meer naar eerder onderzoek dat in opdracht van de Europese Commissie is uitgevoerd. Daaruit kwam naar voren dat in 2018 in Europa ongeveer 1 miljard euro in open source werd geïnvesteerd, terwijl de economische impact daarvan op tientallen miljarden euro’s werd geschat.
De onderzoekers becijferden bovendien dat een toename van open-sourcebijdragen met 10 procent uiteindelijk een aanzienlijke extra bijdrage aan het Europese bruto binnenlands product zou kunnen leveren. Dat maakt duidelijk waarom het volgens Grzegorzewska te beperkt is om alleen naar licentiekosten te kijken.
Veel van de digitale infrastructuur waarop bedrijven dagelijks vertrouwen, is direct of indirect gebouwd op open-sourcecomponenten. Denk aan Linux, databases, webservers, programmeertalen, containertechnologie en talloze libraries. Wanneer bedrijven al die technologie zelf zouden moeten ontwikkelen, zouden de kosten zeer sterk toenemen.
Open source functioneert daarmee voor een groot deel als gedeelde digitale infrastructuur. Bedrijven concurreren met toepassingen en diensten die zij bovenop die infrastructuur ontwikkelen, terwijl de onderliggende technologie gezamenlijk kan worden gebouwd.
Ook interessant voor kleinere bedrijven
Een opvallend cijfer uit de presentatie betrof het verschil tussen grote en kleinere organisaties. Bij kleinere en middelgrote ondernemingen bleek de financiële waarde van open source, afgezet tegen de omzet, veel groter dan bij grote bedrijven. In de getoonde cijfers kwam de jaarlijkse besparing door het gebruik van open source bij kleinere bedrijven uit op 37,5 procent van de omzet. Bij grotere ondernemingen ging het om 1,2 procent.
Bij deze percentages hoort wel een kanttekening: de aantallen organisaties waarop deze specifieke berekening is gebaseerd zijn beperkt. Toch onderstrepen de cijfers volgens Linux Foundation Europe een belangrijk effect. Open source kan kleinere bedrijven toegang geven tot technologie die zij zelfstandig nooit zouden kunnen ontwikkelen of onderhouden.
Daarmee speelt open source ook een rol in het Europese innovatiebeleid. Wanneer startups en kleinere technologiebedrijven gebruik kunnen maken van dezelfde fundamentele technologie als veel grotere ondernemingen, worden de kosten om nieuwe producten te ontwikkelen lager.
Open source helpt ook bij het vinden van mensen
Daar komt nog een ander voordeel bij: personeel. Grzegorzewska liet cijfers zien waaruit blijkt dat 68 procent van de organisaties aangeeft dat deelname aan open-sourceprojecten helpt bij het aantrekken en behouden van technisch personeel. Dat is niet onbelangrijk in een Europese markt waarin veel organisaties moeite hebben om voldoende ontwikkelaars en andere technische specialisten te vinden.
Open-sourceprojecten bieden ontwikkelaars bovendien een omgeving waarin zij kennis kunnen opdoen die niet uitsluitend bruikbaar is binnen één bedrijf. Wie bijdraagt aan bekende projecten bouwt daarmee ook een zichtbaar technisch profiel op.
Voor bedrijven kan actieve deelname aan zulke communities daardoor meer zijn dan ontwikkelwerk. Het kan ook onderdeel zijn van recruitment, kennisontwikkeling en innovatie.
Alleen open-sourcesoftware gebruiken is niet genoeg
Een terugkerend punt in de presentatie was echter dat open source geen automatische oplossing vormt voor digitale soevereiniteit. Het installeren van open-source-software maakt een organisatie nog niet digitaal onafhankelijk. Daarvoor is volgens Grzegorzewska meer nodig. Organisaties moeten voldoende technische kennis in huis hebben, begrijpen hoe projecten worden ontwikkeld en waar mogelijk ook zelf bijdragen. Wie alleen software downloadt maar voor kennis, onderhoud en support volledig afhankelijk blijft van één andere partij, heeft de afhankelijkheid immers vooral verplaatst.
Daarom is deelname aan open-sourcecommunities belangrijk. Bedrijven en overheden die technologie strategisch belangrijk vinden, zouden niet alleen gebruiker moeten zijn, maar waar mogelijk ook bijdragen aan de ontwikkeling en governance ervan. Dat kan met softwarecode, maar bijvoorbeeld ook met documentatie, financiële ondersteuning, testing of deelname aan standaardisatie.
Brussel wordt steeds belangrijker voor open source
Daarnaast heeft de open-sourcewereld volgens Grzegorzewska te maken met een nieuwe werkelijkheid: regelgeving. Europese wetgeving rond cybersecurity, software en AI heeft steeds vaker directe gevolgen voor ontwikkelaars en open-sourceprojecten. Tijdens haar presentatie kwamen onder meer de Cyber Resilience Act en de AI Act aan bod.
Voor de open-sourcegemeenschap betekent dit dat zij zich actiever met Europees beleid moet gaan bemoeien. Wachten totdat regelgeving definitief is vastgesteld en vervolgens kijken wat de gevolgen zijn, is volgens Grzegorzewska niet voldoende. Beleidsmakers moeten tijdens de totstandkoming van wetgeving begrijpen hoe open-sourceontwikkeling werkt en hoe de verantwoordelijkheden binnen zulke communities zijn verdeeld.
Daar ligt ook een belangrijke taak voor organisaties als Linux Foundation Europe: technische communities verbinden met de beleidswereld in Brussel. Die relatie werkt volgens haar beide kanten op. Beleidsmakers hebben kennis uit de open-sourcewereld nodig om werkbare wetgeving te kunnen maken. Tegelijkertijd moet de open-sourcegemeenschap beter begrijpen dat Europese regels grote gevolgen kunnen hebben voor de manier waarop projecten worden ontwikkeld en gebruikt.
Europa hoeft niet alles zelf te bouwen
De kern van Grzegorzewska’s verhaal in Berlijn was uiteindelijk genuanceerder dan het inmiddels vaak gehoorde pleidooi om simpelweg meer Europese technologie te gebruiken. Digitale soevereiniteit draait volgens haar niet om het volledig vervangen van Amerikaanse of Aziatische technologie door Europese alternatieven.
Europa maakt immers deel uit van een wereldwijd technologie-ecosysteem. Open source zelf is daarvan misschien wel het beste voorbeeld: grote projecten worden gezamenlijk ontwikkeld door programmeurs en bedrijven uit tal van landen.
De uitdaging is daarom vooral om voldoende kennis en controle te behouden. Organisaties moeten kunnen begrijpen welke technologie zij gebruiken, waar afhankelijkheden ontstaan en welke alternatieven beschikbaar zijn. Zij moeten in staat zijn systemen aan te passen, data te verplaatsen en waar nodig van technologie of leverancier te veranderen. Open source kan daarvoor een belangrijk fundament vormen.
Daarmee krijgt open source in Europa langzaam een andere status. Wat ooit vooral begon als een manier om gezamenlijk software te ontwikkelen, wordt steeds nadrukkelijker onderdeel van een veel bredere strategische discussie. Niet omdat Europa zich digitaal van de rest van de wereld moet afsluiten, maar juist omdat een open technologisch ecosysteem meer mogelijkheden biedt om zelf keuzes te blijven maken.






0 Reacties