De belangstelling voor open source groeit door de discussie over digitale soevereiniteit. Maar hoe werkt software waarvan iedereen de broncode kan gebruiken en aanpassen? Wie betaalt de ontwikkeling, wie bepaalt de koers en waar verdienen open source bedrijven hun geld mee? Volgens Ronny Lam, directeur van de Dutch Open Source Business Alliance (DOSBA), is vooral belangrijk dat bedrijven en overheden begrijpen hoe het ecosysteem achter open source functioneert. Want zonder investeringen komt ook open source software niet verder. Zeven vragen (en antwoorden) over open source-software die relevant zijn voor iedere CIO en IT-manager.
Open source-software – veel CIO’s en IT-managers die zich jarenlang nauwelijks met open source bezighielden, tonen er inmiddels belangstelling voor. De reden is uiteraard de groeiende behoefte aan digitale autonomie. Organisaties willen minder afhankelijk worden van een beperkt aantal technologieleveranciers en meer controle krijgen over hun software, data en infrastructuur.
Maar die belangstelling roept ook vragen op. Want hoe werkt software die niet het exclusieve eigendom is van één leverancier? Wie ontwikkelt nieuwe functies? Hoe wordt dat gefinancierd? En bij wie kan een organisatie terecht wanneer er iets misgaat?

Ronny Lam houdt zich met deze vragen bezig als directeur van DOSBA, de belangenvereniging van Nederlandse open source-bedrijven. De vereniging brengt onder meer softwareontwikkelaars, consultants, hostingbedrijven en gespecialiseerde dienstverleners samen. “De mensen zijn er, de kennis is er, de bedrijven zijn er, we moeten het nu goed organiseren”, stelde Lam eerder over de Nederlandse open source sector.
1. Hoe vaak wordt open source-software nu al gebruikt?
Een eerste misverstand is dat open source iets nieuws of uitzonderlijks zou zijn. In werkelijkheid maken vrijwel alle grotere IT-omgevingen er gebruik van. Linux draait op talloze servers en netwerkapparaten. PostgreSQL is een veelgebruikte database en Kubernetes speelt een belangrijke rol bij containeromgevingen. Ook commerciële software bevat vaak grote hoeveelheden open source-componenten. Lam: “Vrijwel iedere cloud service, maar ook heel veel on-premise software die nu door grotere organisaties worden gebruikt, zouden zonder open source-software nooit bestaan hebben.”
Veel CIO’s realiseren zich daardoor wellicht ook niet hoeveel open source hun organisatie nu al gebruikt. Het verschil is dat zij deze technologie doorgaans niet rechtstreeks afnemen, maar als onderdeel van commerciële oplossingen.
Open source betekent dat de broncode beschikbaar is en dat gebruikers, als voorwaarde van de licentie, de software mogen gebruiken, bestuderen, aanpassen en verspreiden. Het zegt echter niets over de kwaliteit, de beschikbaarheid van ondersteuning of de kosten van implementatie.
2. Waar verdienen open source bedrijven hun geld mee?
En daarmee komen we bij een van de hardnekkigste misverstanden: open source is gratis. “Open source- software is op zich gratis, maar moet wel worden ontwikkeld, geïmplementeerd en onderhouden”, vertelt Lam. “Dat onderscheid is belangrijk. Het gebruik van open source-software hoeft geen licentievergoeding aan de oorspronkelijke ontwikkelaar te vereisen, maar de inzet ervan brengt vrijwel altijd kosten met zich mee.”
Bedrijven in de open source-markt verdienen bijvoorbeeld aan consultancy, systeemintegratie, implementatie, trainingen, hosting, beveiliging en onderhoud. Daarnaast zijn er leveranciers die abonnementen verkopen waarmee klanten toegang krijgen tot professionele ondersteuning, gecertificeerde softwareversies en aanvullende diensten.
Voor organisaties betekent dit dat zij verschillende mogelijkheden hebben. Ze kunnen software zelf downloaden, installeren en beheren. Ze kunnen een gespecialiseerde dienstverlener inschakelen. Of ze kiezen voor een volledig beheerde oplossing via een managed service provider.
Het ontbreken van traditionele licentiekosten betekent dus niet dat open source geen commercieel verdienmodel kent. De inkomsten zijn alleen anders georganiseerd.
3. Wie betaalt de ontwikkeling van nieuwe functionaliteit?
Een ander en minstens zo belangrijk onderwerp is de financiering van open source-projecten zelf. Want software moet niet alleen gebouwd, onderhouden en beveiligd worden. Gebruikers verwachten ook nieuwe functionaliteit, ondersteuning voor nieuwe technologie en verbeteringen in prestaties en gebruiksgemak.
Lam: “En dat ontwikkelwerk kost geld. Sommige projecten worden grotendeels onderhouden door vrijwilligers. Andere beschikken over betaalde ontwikkelaars die in dienst zijn van bedrijven. Ook stichtingen, subsidies, donaties en gezamenlijke investeringen van gebruikers behoren tot de mogelijkheden.”
Daarbij ontstaat een belangrijk verschil met commerciële software. Wanneer een bedrijf een softwarelicentie aanschaft, draagt het via die betaling doorgaans indirect bij aan de productontwikkeling. Bij open source is zo’n financieringsstroom niet vanzelfsprekend. “Veel organisaties denken bij bijdragen aan open source vooral aan onderhoud en het oplossen van beveiligingsproblemen. Maar software moet ook doorontwikkeld worden. Gebruikers willen nieuwe functionaliteit en betere mogelijkheden. Daar zijn ontwikkelaars voor nodig en die moeten betaald worden.”
Voor zakelijke gebruikers is het daarom zinvol om bij de selectie van open source-software niet alleen naar functionaliteit en technische kwaliteit te kijken, maar ook naar de financiering en continuïteit van het project.
4. Waarom zou je als gebruiker lid willen worden van een open source-community?
Hiermee komen we bij een essentieel onderdeel van het open source-model: bijdragen aan de gemeenschap die de software ontwikkelt. Dat wordt vaak aangeduid als “giving back to the community”.
Een bedrijf of overheidsorganisatie die open source gebruikt, kan dat op verschillende manieren doen. Bijvoorbeeld door developers en andere IT-professionals een aantal uren per week beschikbaar te stellen voor het project. Of door nieuwe functionaliteit te laten ontwikkelen en de code vervolgens beschikbaar te maken voor andere gebruikers. Ook financiële donaties, het verbeteren van documentatie, het testen van nieuwe versies en het melden van fouten zijn vormen van participatie.
“Als een organisatie jarenlang profiteert van open source-software, is het belangrijk dat zij ook nadenkt over haar bijdrage aan de verdere ontwikkeling. Dat hoeft niet altijd geld te zijn. Je kunt bijvoorbeeld mensen (voor een deel) vrijmaken om aan het project te werken. Uiteindelijk hebben alle gebruikers daar voordeel van.”
“Vooral voor overheden en grote(re) ondernemingen kan dit interessant zijn. Zij gebruiken vaak jarenlang dezelfde software en hebben daarmee een direct belang bij de continuïteit en toekomstige functionaliteit ervan. Door samen te werken met andere gebruikers kunnen zij bovendien ontwikkelkosten delen. Functionaliteit die door één organisatie wordt gefinancierd, kan vervolgens beschikbaar komen voor een veel grotere groep gebruikers.”
Dat betekent overigens niet dat iedere organisatie verplicht is bij te dragen. De meeste open source-licenties stellen die eis niet. Maar wanneer een project structureel afhankelijk is van een kleine groep vrijwilligers of enkele commerciële financiers, kan de vraag ontstaan hoe houdbaar dat model op langere termijn is.
5. Wie bepaalt de koers van een project?
Ook over de besluitvorming binnen open source-projecten bestaan misverstanden. Lam: “Het feit dat iedereen broncode mag bekijken en aanpassen, betekent niet dat iedereen automatisch kan meebeslissen over de toekomstige ontwikkeling. Sommige projecten worden bestuurd door onafhankelijke stichtingen. Andere hebben een technisch bestuur van ervaren ontwikkelaars. Er bestaan ook projecten waarin één commerciële onderneming een dominante positie heeft.”
Dat verschil is belangrijk. Wie bepaalt welke nieuwe functies prioriteit krijgen? Welke wijzigingen worden opgenomen in de officiële softwareversie? En welke invloed hebben bedrijven en overheden die de software gebruiken?
“Open source betekent niet dat iedereen zomaar kan bepalen wat er met een project gebeurt. Ook hier bestaan afspraken, verantwoordelijkheden en besluitvormingsprocessen over. Wie invloed wil hebben op de ontwikkeling, moet begrijpen hoe die governance is georganiseerd.”
Voor CIO’s is dit een relevant selectiecriterium. Een project met een breed gedragen bestuur en meerdere actieve developers kan andere continuïteitsrisico’s hebben dan software waarvan de ontwikkeling grotendeels afhankelijk is van één onderneming.
6. Wie is verantwoordelijk wanneer het misgaat?
Een andere vraag is bij wie een IT-manager terecht kan wanneer er een probleem is met bedrijfskritische open source-software. Bij traditionele software bestaat daarvoor meestal een contractuele relatie met de leverancier. Bij open source moet die verantwoordelijkheid afzonderlijk worden georganiseerd. Een community kan ondersteuning bieden, maar kijk goed naar bijvoorbeeld gegarandeerde responstijden. Een gespecialiseerde dienstverlener kan natuurlijk wel contractuele afspraken maken over beschikbaarheid, incidentafhandeling, onderhoud en beveiligingsupdates.
Volgens Lam is vooral voor grotere organisaties belangrijk dat die dienstverlening professioneel wordt ingericht. “Grote klanten willen één aanspreekpunt, één contract, één verantwoordelijke partij”, verklaart hij. Daarom werkt DOSBA aan samenwerkingsmodellen waarin meerdere gespecialiseerde open soruce- bedrijven gezamenlijk diensten aanbieden. “De klant merkt niet dat er achter de schermen meerdere bedrijven betrokken zijn”, aldus Lam. “Zij zien één contract, één supportteam, één domeinnaam, één factuur – precies zoals ze gewend zijn bij traditionele leveranciers.” Op die manier hoeven CIO’s niet zelf alle afzonderlijke specialisten aan te sturen.
7. Passen open source-licenties bij de behoefte aan digitale autonomie?
De discussie over digitale soevereiniteit geeft open source een nieuwe strategische betekenis. Maar open source gebruiken is niet hetzelfde als digitaal autonoom zijn. Een organisatie kan open source-software toepassen en toch afhankelijk blijven van één cloud provider, specifieke uitbreidingen of externe beheerdiensten. Andersom hoeft een organisatie niet alles zelf te ontwikkelen of te beheren om meer autonomie te bereiken. Ze kan ook bewust kiezen voor open standaarden, overdraagbare systemen en leveranciers die onderling uitwisselbaar zijn.
Daarbij is het belangrijk dat CIO’s niet uitsluitend naar de software kijken, maar ook naar de partijen en gemeenschappen die de ontwikkeling mogelijk maken. Lam: “Digitale autonomie betekent niet dat je alles zelf moet doen. Het gaat erom dat je keuzes hebt en controle hebt over de technologie waarvan je afhankelijk bent. Daarvoor heb je een gezond ecosysteem nodig van ontwikkelaars, bedrijven en gebruikers die samen investeren.
“We doen het samen”
Juist dat laatste is een belangrijk aspect van het open source-model, voegt Lam toe. De software mag vrij beschikbaar zijn, maar haar ontwikkeling gaat niet vanzelf. “Wie open source uitsluitend beschouwt als een manier om licentiekosten te besparen, ziet daardoor een belangrijk deel van het verhaal over het hoofd. Achter succesvolle projecten staan ontwikkelaars, organisaties en gemeenschappen die tijd, kennis en geld investeren. We doen het samen.”
Voor CIO’s die open source overwegen, is het daarom niet alleen belangrijk om te weten welke software beschikbaar is. Minstens zo belangrijk is de vraag hoe het project wordt gefinancierd, wie de koers bepaalt en welke bijdrage de eigen organisatie eventueel kan leveren.
Open source is daarmee niet simpelweg een ander softwareproduct dan we misschien gewend waren van een commerciele leverancier. Het is een ander model voor het ontwikkelen, financieren en organiseren van software. En juist dat model verdient aandacht nu digitale autonomie steeds hoger op de agenda staat.






0 Reacties